Zesde Noordzeeministersconferentie | Maritiem Nederland
Nieuws

Zesde Noordzeeministersconferentie

Manon Laterveer-De Beer | woensdag 23 augustus 2006

Op 4 en 5 mei kwamen de Milieuministers uit alle Noordzeelanden voorlopig voor het laatst bij elkaar in het Zweedse Gotenburg om afspraken te maken over duurzaam beheer en bescherming van de Noordzee. Andere organisaties nemen het stokje over.

Tijdens de zesde Noordzeeministersconferentie in Zweden stonden twee hoofdonderwerpen op de agenda: scheepvaart en visserij. Deze sectoren hebben met elkaar gemeen dat ze zich niet aan grenzen houden. Daarom is het van belang dat landen gezamenlijk regels vaststellen en plannen maken om de Noordzee schoner en veiliger te maken.
Namens Nederland was staatssecretaris van Verkeer & Waterstaat Melanie Schultz aanwezig. Stichting De Noordzee nam deel aan de bijeenkomst onder de vlag van Seas At Risk, een Europese federatie van NGO’s met als bescherming van de zee als doel.

 

Met de voorgaande conferenties is veel bereikt, met name in het terugbrengen van afvallozing vanaf land en via de rivieren. Hardnekkig blijven echter bedreigingen, als operationele lozingen van schepen, het overboord gooien van afval en vooral de toenemende visserijdruk. Tijdens de vijfde ministersconferentie in Bergen (Noorwegen), kwam Zweden met het initiatief voor een conferentie, gericht op de gevolgen van zeescheepvaart en visserij voor het Noordzee-ecosysteem.

Zilveren bel
In Gotenburg waren zo’n tweehonderd mensen twee dagen bijeen om de volgende stap te zetten in een duurzamer beheer van de Noordzee. Niet alleen lieten de ministers zich vergezellen door hun ‘Noordzee-ambtenaren’, ook verschillende door het conferentiethema aangesproken stakeholders waren aanwezig. Vertegenwoordigers van de zeescheepvaart, visserij-, natuur- en milieuorganisaties completeerden het geheel. Al die verschillende groepen komen vanzelfsprekend ook om hun eigen belangen te vertegenwoordigen en om ‘in te pluggen’ op de afspraken van de ministers.
Gastvrouw Lena Sommerstad, Zweeds minister van Milieu, opende de conferentie met de volgende woorden: “De zee is een bron van inkomsten, recreatie en inspiratie, maar we hebben deze ‘erfenis’ niet altijd verantwoordelijk beheerd. Het schitterende blauw van de zeespiegel verbergt tal van milieuproblemen. Dankzij de grote consensus tussen de Noordzeelanden, kunnen wij het voortouw nemen en toewerken naar een beter marien milieu. We doen dit op regionale schaal, maar dragen zo ook bij aan de wereldwijde verbetering van het (zee)milieu.”

 

Tijdens de opening bood Sommerstad de zilveren bel aan, een traditie die bij elke voorgaande conferentie is doorgegeven. De bedoeling is dat een van de andere landen de bel ‘aanneemt’, en zo het stokje voor organisatie van een volgende conferentie overneemt. Ditmaal nam echter geen enkele minister de uitdaging aan, zodat direct duidelijk was dat de Gotenburgconferentie het sluitstuk vormt van een periode van twintig jaar. De bewindvoerders voerden hier twee argumenten voor aan. Ten eerste is er al veel bereikt om het Noordzee-milieu te verbeteren en in de tweede plaats zijn er intussen tal van andere internationale fora van de grond gekomen die zich wellicht beter lenen voor een internationale benadering van het thema. In het bijzonder zijn dat de IMO, de EU en de OSPAR. Dat laatste is het verdrag dat sinds 1998 twee eerdere conventies vervangt; die van Oslo (1972; over het dumpen van afval in zee) en die van Parijs (1974; over de zeevervuiling door bronnen op het land).

 

In de slotverklaring van de Gotenburgconferentie is met name het laatste argument op verschillende plaatsen terug te vinden. Zo rept de inleiding rept over de op handen zijnde Europese Mariene Strategie en de European Maritime Policy, waarvan het Groenboek (green paper) begin juni is verschenen. Ook verwijst de Gotenburg-verklaring naar de ecosysteembenadering, zoals gehanteerd in OSPAR-verband.

‘Clean ship’
In Gotenburg zijn de duidelijkste afspraken gemaakt over de scheepvaart.
De deelnemende landen beloven allereerst om internationale verdragen over scheepvaart spoedig te ratificeren. Zo loopt Nederland achter met de implementatie van een aantal IMO-afspraken. Voorbeelden zijn de internationale conventie over uitfasering van TBT in antifouling en Marpol Annex VI over luchtverontreiniging door schepen.

 

Verder spreken de ministers af om het Clean Ship concept door te voeren in hun maritieme en milieubeleid. Om dit te stimuleren wil men schone schepen minder havengelden laten betalen dan vervuilender vaartuigen. Nederland en Noorwegen, die in de aanloop naar de Gotenburg-conferentie gezamenlijk het voortouw hebben genomen bij de ontwikkeling van het CS-concept, zullen technische criteria ontwikkelen om de milieuperformance van schepen te kunnen beoordelen.

 

Voorts zullen de Noordzeelanden het CS-concept bij de IMO promoten, door in 2007 een voorstel in te dienen bij de MEPC.(Marine Environment Protection Committee). Deze milieucommissie van de IMO komt eens per acht maanden in Londen bijeen. Ook zal men een monitoringprogramma opzetten om de voortgang in de toepassing van het CS-concept in de gaten te houden.
De ministers beloven stimuleringsprogramma’s op touw te zetten voor technologische innovatie, met zowel ruimte voor nieuwe ideeën als voor realisatie van schone technologieën. Te denken valt aan een standaardtechnologie voor walstroom, waardoor schepen in de haven hun generatoren kunnen uitschakelen, of aan reiniging van het vervuilende ballastwater. Sowieso gaan de Noordzeelanden werken aan een regionale strategie voor dit probleem, om de wereldwijde verspreiding van lokale organismen tegen te gaan.

 

De luchtverontreiniging door zeeschepen – een heikel punt – wil men verder aanpakken door bijvoorbeeld de kwaliteit van scheepsbrandstoffen te verbeteren en een scherpere norm voor de uitstoot van zwavel- en stikstofoxiden te hanteren. De Noordzeelanden hebben verder afgesproken te onderzoeken hoe Port State Control effectiever is in te zetten om substandard-schepen aan te pakken. Als vervolg op de uitfasering van TBT-houdende antifouling zijn voorstellen gedaan om andere schadelijke antifoulings aan te pakken.

Drijvend afval
Marine litter, oftewel ‘zeeafval’ – de verzamelnaam voor al het afval dat in zee drijft of aanspoelt op de kust – is een blijvend probleem, niet alleen voor het leven in zee en voor het toerisme, het levert ook een veiligheidsrisico op. Daarom hebben de ministers besloten te komen met een beter systeem voor inzameling van scheepsafval in de havens en ondersteunen zij verschillende programma’s die zich richten op monitoring van afval op zee en het opruimen van vuil langs de kust.

 

Tot besluit is het creëren van een ‘marien bewustzijn’ (marine awareness), een punt waar Stichting De Noordzee zich al acht jaar hard voor maakt, opgepikt als belangrijk actiepunt. De Noordzeelanden zullen lobbyen voor de integratie van milieu-bewustzijn en besef van duurzame scheepvaart in het STCW-verdrag (Standards of Training, Certification and Watchkeeping), het verdrag waarin de eisen aan zeelieden zijn vastgelegd.

 

De Noordzeeministersconferenties hebben in de afgelopen twintig jaar laten zien dat regionale samenwerking ter bescherming van het milieu goed kan werken. Er is in die tijd veel bereikt, maar er is ook van alles blijven liggen. Of de EU, de IMO en OSPAR de bescherming van de Noordzee even goed ter hand zullen nemen, moet de toekomst uitwijzen.

www.sweden.gov.se/sb/d/6363/a/57475

 

Eelco Leemans coördineert activiteiten op het gebied van scheepvaart bij Stichting De Noordzee. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de maritieme Campagne van Friends of the Earth International.

 

Noordzeeconferenties 1984-2006
Begin jaren tachtig werd duidelijk dat de Noordzee ernstig verontreinigd was, wat nadelige gevolgen had voor het leven in zee. Grote hoeveelheden vervuilende stoffen, zoals bestrijdingsmiddelen, zware metalen en meststoffen, spoelden via rivieren de zee in. Toen in 1983 langs de Duitse kust bovendien met olie besmeurde vogels aanspoelden, besloot de Duitse regering de Milieuministers van de Noordzeelanden uit te nodigen voor overleg in Bremen (1984). Dat was de start van een periodiek overleg.
De zes conferenties hebben een belangrijke rol gespeeld bij het schoner er veiliger maken van de Noordzee. Een voorbeeld is de afspraak die de ministers in 1995 maakten om te zorgen dat er in 2000 nog maar de helft van de hoeveel stikstof en fosfaten (meststoffen) in de Noordzee mocht voorkomen, vergeleken met de situatie in 1985. Daardoor bevinden zich nu inderdaad veel minder fosfaten en stikstof in de Noordzee. Op de stranden is dat goed te zien. Er ligt tegenwoordig minder schuim (dode algen) op het strand. Algen gedijen bij hoge concentraties meststoffen in het zeewater.

 

Jaartal

Plaats

Belangrijke resultaten

1984

Bremen

  • Aanpak van verontreiniging van de Noordzee, los internationale regelgeving
  • Organisatie follow-up-conferentie in Londen

 1987

Londen

  • Productie van Quality Status Report: actuele stand van zaken van de Noordzee
  • Oprichting North Sea Task Force die de Noordzee in de gaten houdt
  • Harde afspraken over (50%) reductie input van bepaalde stoffen
  • Uitfasering afvaldumping en -verbranding op zee

1990

Den Haag

  • Afspraken over vermindering 36 schadelijke stoffen en aanpak lozingen door scheepvaart
  • Eerste voorstellen bescherming bedreigde dieren en habitats

1995

Esbjerg

  • Doel totale verbanning gevaarlijke stoffen uit zee
  • Verbod op dumpen door olie- en gasplatforms

2002

Bergen

  • Afspraken beschermde gebieden op de Noordzee en visserijbeheer
  • Introductie integrale aanpak milieuproblemen scheepvaart: het Clean Ship Concept

 


 

Partners Maritiem Nederland