Platform voor het gehele maritieme cluster
Nieuws
Dertien hoofdspanten van De Delft zijn gereed.

Replica 'De Delft' vordert gestaag

Bart Stam | dinsdag 19 december 2006

Aan de Rotterdamse Schiehaven werken acht professionals samen met tal van vrijwilligers aan de replica van linieschip 'De Delft' dat in 1797 ten onder ging.

Bij het grote publiek zijn vooral de reconstructies van de ‘Batavia’ en de ‘Zeven Provinciën’ bekend. Jaarlijks trekken zo’n 300.000 bezoekers hiervoor naar de Bataviawerf in Lelystad. Veel minder bekend is dat aan de Schiehaven in het Rotterdamse Lloydkwartier, in de voormalige overslagloods van stuwadoor Müller-Progress, ook een interessante replica in aanbouw is. Hier herrijst voormalig linieschip De Delft dat de wereldzeeën tussen 1783 en 1797 bevoer. “We trekken jaarlijks zo’n 30.000 bezoekers, en dat moeten er 50.000 worden,” vertelt Henk Bras, manager algemene zaken van Stichting Historisch Schip De Delft.

 

In 2000 gaf burgemeester Opstelten het startsein voor de herbouw van het middelgrote oorlogsschip van de ‘Admiraliteit op de Maze’ in Rotterdam. Behalve die stad maakten destijds ook Zuid-Holland, de Rijngebieden in Gelderland, het gebied van Maas en Waal en het Land van Overmaze daar deel van uit.

 

Oorspronkelijk had de 63 meter hoge driemaster in 2005 gereed moeten zijn, maar door het wegvallen van twee belangrijke subsidies van de gemeente en de Europese Unie, eind 2004, kwam de scheepswerf met een financieel tekort te zitten. “Hierdoor heeft de bouw zeker drie jaar vertraging opgelopen,” meent algemeen directeur Gerard Verberne. Vandaar dat tot dusver alleen kiel, achterdek, dertien hoofdspanten en drie tussenspanten voltooid zijn.

 

Club van duizend

Toch gaat het stichtingsbestuur moedig voorwaarts, want steeds meer bedrijven treden toe als geldschieters. Hoofdsponsor Havenbedrijf Rotterdam doneert een aanzienlijk bedrag per jaar, en in mei trad Stena Line toe als nieuwe sponsor. Ook Kooren Shipbuilding and Trading, Smit en Breur zijn belangrijke ‘donors’. Zo’n 65 tot 75 bedrijven behoren tot de zogeheten Club van Duizend, die drie jaar lang duizend euro betalen, in ruil voor gratis toegang tot de werf en het recht hier vergaderingen en andere manifestaties te organiseren. Verder zijn er plannen om samen met Ahoy’ een businessclub op te zetten.

 

Daarnaast ontvangt men regelmatig kleinere giften, zoals in januari een cheque van 15.000 euro van Croon Electrotechniek. Onder het motto ‘vele kleintjes maken een grote’, kunnen ook gewone Rotterdammers en andere geïnteresseerden al voor 15 euro per jaar ‘Vriend van De Delft’ worden. Hiervoor krijgen zij gratis toegang tot de werf en de expositie. Zo druppelt het geld dus langzaam maar zeker binnen. Het hele project kost naar schatting zo’n 9 tot 10 miljoen euro.

 

Oorlogsbuit

Scheepswerf De Hoog & De Wit in Delfshaven bouwde in 1782 en 1783 voor de Rotterdamse Admiraliteit linieschip De Delft. Pieter van Zwijndregt Laurenszoon (1711-1790) was de bouwmeester. De scheepswerf lag aan de toenmalige Voorhaven in Delfshaven, hemelsbreed maar 300 meter van de huidige bouwlocatie verwijderd. ‘’s Lands Schip van Oorlog Delft’ was tussen de loodlijnen 45,30 meter lang, 12,74 meter breed en had een diepgang van 5,80 meter. Het was een driemaster waarvan de grote mast 63 meter boven de kiel uitstak. In oorlogstijd waren er doorgaans rond de 400 manschappen aan boord, in vredestijd circa driehonderd koppen. De Delft moest in eerste instantie de schepen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie op de terugreis beschermen tegen zeerovers uit met name Duinkerken, Tanger en Algiers.

 

In het kader van de Engelse Oorlogen moest er ook gevochten worden. De Delft nam op 11 oktober 1797 deel aan de Zeeslag bij Camperduin. Aangezien de Britten een overwicht hadden aan schepen en kanonnen, kregen de zestien vaderlandse schepen het moeilijk. De Delft raakte zwaar beschadigd en van de 384 opvarenden verloren er tientallen het leven, terwijl honderd opvarenden gewond raakten. Na de overgave door kapitein Gerrit Verdooren, die wel eerst alle scheepsjournalen en codeboeken overboord wierp, besloten de Britten De Delft als oorlogsbuit mee te slepen naar huis. Dit mislukte echter doordat de sleepkabel brak tijdens een zware storm en De Delft op ongeveer 22 zeemijl ten westen van Scheveningen zonk, op een diepte van zo’n 27 meter. Dat kostte nog eens 135 bemanningsleden het leven.

 

Kanonskogel en wrakhout

Bijna tweehonderd jaar lag het oorlogsschip op de bodem van de Noordzee, totdat in 1977 de Scheveningse visser Maarten Letsch op het wrak stuitte. Naast vis en krab haalde hij een roestige kanonskogel en een stuk wrakhout aan boord van zijn kotter. Letsch lichtte de plaatselijke duikvereniging Sirene in, die meteen naar het scheepswrak gingen duiken. In de loop der jaren zijn talloze voorwerpen uit De Delft naar boven gebracht, zoals kannonen, eetgerei, bestek, stukken zeildoek, kruiken, ‘pokhouten schijven’, vuurwapens, gespen en het grote anker. Dit stond lange tijd voor het kantoor van de Scheveningse havenmeester maar heeft inmiddels een plaats gekregen aan de Schiehaven. Het mooiste voorwerp is een medaillon met een haarlok van de oudste officier aan boord. Het ligt nu in een van de vitrines van de werf.

 

De vondst van het wrakhout en de kanonskogel trok de aandacht van amateurhistoricus Frits Fischer, die intussen over de negentig is. Hij vroeg zich af van welk schip deze voorwerpen afkomstig konden zijn. De gepensioneerde scheeps- bouwer en restaurateur van oude zeilschepen ging te rade bij een scheepsarcheoloog van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Deze opperde dat het anker wel eens van De Delft kon zijn. Fischer begon aan een intensieve speurtocht naar de geschiedenis van het oorlogsschip die maar liefst vijftien jaar in beslag nam.

 

Via het Algemeen Rijksarchief, de Koninklijke Bibliotheek en de archieven van de Admiraliteitscolleges, vond hij de originele bouwtekeningen van Van Zwijndregt in het Maritiem Museum in Rotterdam. Fischer heeft zijn jarenlange onderzoek gebruikt voor het schrijven van een lijvig boekwerk: De Delft. De bewogen geschiedenis van een achttiendeeeuws schip. De eerste druk ervan verscheen in oktober 1997, precies tweehonderd jaar na de slag bij Camperduin.

 

Zinvolle tijdsbesteding

Het monnikenwerk van Fischer wakkerde de belangstelling voor het schip verder aan. Zo kwam G.J. Gortel uit Katwoude in mei 1998 met een plan om het schip te bergen, conserveren en restaureren. Gortel had in 1981 naar het wrak gedoken en meende dat de romp nog redelijk in tact was. Al met al kwam zijn bergings- en restauratieplan neer op een bedrag van 30 à 39 miljoen gulden. Twee miljoen om de De Delft te laten opdrijven, 17 tot 26 miljoen gulden voor de conservering van onder andere het ijzer, de romp en de inventaris, en 8 miljoen voor de ‘Engelse klus’. Hieronder verstond Gortel het restaureren en in oude staat brengen van de masten en zeilen. Door de hoge kosten en diverse vervolgonderzoeken, waaruit de zeer slechte conditie van het schip bleek, verdween dit plan al spoedig in de prullenbak.

 

Na het terugvinden van de oorspronkelijke bouwtekeningen, leek het bouwen van een replica realistischer. Bij voorkeur moest dit in Delfshaven gebeuren, hoewel daar geen locatie met voldoende diepgang beschikbaar was. De kosten bedroegen naar schatting 20 miljoen gulden, heel wat minder dan het bergingsplan van Gortel.

 

Op initiatief van de Stuurgroep Strategische Wijkaanpak Delfshaven en het Ontwikkelingsbedrijf van de gemeente Rotterdam kwam er dan ook een plan van aanpak, waarbij het accent lag op het trekken van zoveel mogelijk bezoekers. Tevens moest het project zorgen voor zinvolle tijdsbesteding door zowel werklozen als moeilijk opvoedbare jongeren met een strafblad. Intussen zijn er op de scheepswerf tientallen van deze jongeren aan de slag via reïntegratieprojecten van de Raad van de Kinderbescherming.

 

Na enig zoeken bleek een voormalige overslagloods van Müller-Progress aan de Schiehaven de beste locatie. Sinds de start in 2000 zijn er in totaal zo’n 160 tot 180 vrijwilligers betrokken geweest bij het geven van rondleidingen, ontvangst van gasten, organisatie van speciale manifestaties, begeleiding van stagiairs en de ‘lastige’ jongeren. En niet te vergeten met de ambachtelijke beroepen, zoals het maken van beelden en andere versierselen, de spanten en wat dies meer zij. Veel vrijwilligers waren in juli aan het werk, toen de replica van het Russische oorlogsschip ‘Shtandart’ van Peter de Grote een bezoek aan Rotterdam bracht. Dit evenement trok vier dagen lang zo’n 1.200 bezoekers.

 

Ondanks het wegvallen van subsidies van gemeente Rotterdam en de Europese Unie is de situatie voor De Delft anno 2006 allesbehalve somber, meldt Henk Bras. “Havenbedrijf Rotterdam heeft zich als nieuwe hoofdsponsor gemeld en daar zijn we erg gelukkig mee. Hulde trouwens voor onze vrijwilligers die er telkens weer in slagen nieuwe bedrijven aan te trekken voor de Club van Duizend.” Op de lijst treffen we bedrijven aan als IHC Caland en Houthandel Boogaerdt.

 

Schaalmodel

Wie nu scheepswerf De Delft aan de Schiehaven bezoekt, komt eerst in een centrale ontvangsthal met filmzaal, souvenirshop en een kleine expositie over bouw, historie, het 18e-eeuwse leven op zee, en de slag bij Camperduin. Via de trap komt de bezoeker terecht in het gelijknamig restaurant, waar de looproute begint langs de verschillende werkplaatsen.

 

Allereerst komen we terecht in de grote spantenloods, waar de houten kapiteinssloep en het schaalmodel van De Delft (1:10) in het oog springen. “Zowel die sloep als het model zijn afzonderlijke sponsorprojecten,” vertelt Gerrit Bangma. Afkomstig uit de scheepsbouw, verzorgt hij nu als vrijwilliger vele tientallen rondleidingen per jaar. “Zo’n schaalmodel diende ervoor om te kijken of de maatvoering klopte. Het kwam vroeger wel eens voor dat men verschillende eenheden, zoals voeten en Rijnlandse voeten, door elkaar gebruikte. In dat geval kon men via straalvlakken de vorm nog corrigeren, voordat de echte bouw begon. Dit was tot het begin van de twintigste eeuw een veelgebruikte methode in de scheepbouw.”

 

Eenmaal op de loopbrug zien we rechts de beeldsnijderij, waar de ornamenten voor De Delft vandaan komen. Het dient tevens als opleidingscentrum voor stagiairs van het Hout en Meubileringscollege in Amsterdam en Rotterdam. Zo heeft de scheepswerf tijdens de tentoonstelling Kop en Kont, eerder dit jaar in het Maritiem Museum, permanent twee beeldsnijders uitgeleend aan het museum.

 

Naast de beeldsnijderij bevinden zich de smederij en de blokkenmakerij, waar de vrijwilligers al honderden iepenhouten blokken hebben gemaakt. Deze zijn bestemd voor het hijsen van de zeilen en het vastzetten van de masten. Aan de linkerzijde staan de vitrines met voorwerpen die duikers van Sirene hebben opgedoken. Henk Bras: “Jaarlijks komen er nieuwe voorwerpen bij, Sirene duikt gemiddeld 3 tot 4 keer per jaar naar het wrak.”

 

Deens eikenhout

Indrukwekkend is de gecombineerde ruimte voor tuigerij en spantenvloer. In deze werkplaats zijn op basis van de oorspronkelijke bouwtekeningen van Pieter van Zwyndregt alle spantenlijnen van de romp in langs- en dwarsdoorsnede op de vloer uitgetekend. “Een methode die sommige scheepswerven nog tot 1965 hebben toegepast,” aldus Bangma. “Omdat we de replica authentiek willen nabouwen, gebruiken we zoveel mogelijk oorspronkelijke materialen. Daarom komt er ook geen motor of schroef onder het schip. Net als in 1783 bestaat de kiel uit Deens eikenhout. Het hout voor de hoofd- en tussenspanten komt verder uit Noord-Duitsland, Denemarken en Frankrijk.”

 

De bouw van het schip geschiedt aan de kade, op een groot stalen ponton annex droogdok. Een door FIGEE geschonken kraan heeft zijn waarde inmiddels bewezen bij de kiellegging en de loodzware hoofd- en tussenspanten. Het ponton is nodig omdat De Delft in zijn definitieve vorm te zwaar is voor de kademuur. De scepter over het hele bouwproces en de vrijwilligers zwaait bouwmeester Jaap Buiting, geassisteerd door vier leermeesters.

 

Geen zeilen

Zes jaar na de start durft het stichtingsbestuur zich niet meer te wagen aan voorspellingen over de voltooiing. Verberne en Bras. “We mogen niet klagen over de toeloop van nieuwe sponsors, maar zelfs onder de meest gunstige omstandigheden zijn we pas op z’n vroegst in 2008 of 2009 klaar met de bouw. Het is niet de bedoeling het schip met zeilen uit te rusten en zeewaardig te maken. Dat zou betekenen dat we pas in 2013 klaar zijn, terwijl de verzekeringspremies enorm omhoog gaan. Bovendien krijg je dan te maken met de Arbeidsinspectie en moet je een professionele bemanning hebben. Dat is voor ons niet te betalen.”

 

Uitgangspunt is daarom dat zoveel mogelijk mensen het schip kunnen bezoeken. Verberne: “We hebben een denktank opgericht om te onderzoeken hoe we De Delft optimaal commercieel kunnen benutten, bijvoorbeeld als vergadercentrum, of voor het geven van bedrijfstrainingen en het organiseren van feesten. Want subsidies zijn onzeker, zoals we aan den lijve hebben ondervonden.”

 

Blijft de vraag wat de uiteindelijke bestemming van De Delft zal zijn. In de oorspronkelijke plannen was er sprake van terugkeer naar Delfshaven, bij voorkeur op de plek van de oude scheepswerf. Probleem is dat daar anno 2006 geen geschikte locatie beschikbaar is, terwijl het verslepen van het schip langs de bestaande vaarwegen vrijwel onmogelijk is. “Er is één locatie waar hij in elk geval niet komt te liggen, en dat is Lelystad,” besluit Verberne met een kwinkslag.

 

 

Linieschepen

De Delft behoorde met vijftig kanonnen tot de middelgrote oorlogsschepen van het vierde ‘charter’. De indeling in charters kwam van de Britse admiraliteit uit 1653, en had als doel de verschillende oorlogsschepen in een zeeslag zo efficiënt mogelijk in te zetten. De zwaarste schepen (eerste charter) beschikten met minimaal tachtig kannonnen over de grootste vuurkracht, bedoeld om de vijand de ‘volle laag’ te geven. Deze schepen waren echter veel minder wendbaar dan bijvoorbeeld De Delft. De eerste vier charters, variërend van 50 tot 80 gevechtsstukken, behoorden tot de categorie ‘linieschepen’ omdat ze voldoende vuurkracht hadden voor een liniegevecht.
In 1782 gaf de Admiraliteit op de Maze aan scheepswerf De Hoog & De Wit opdracht De Delft te bouwen. De scheepswerf in Delfshaven rekruteerde 150 timmerlieden en andere ambachtslieden, die maar liefst twaalf uur per dag moesten werken. De bouw duurde negen maanden, waarna het schip op 16 mei 1783 van stapel liep. Daarna moest het nog op sleeptouw naar Hellevoetsluis voor het optuigen van de zeilen. De bouwkosten waren destijds 210.000 gulden.

www.dedelft.nl

 

De Delft. De bewogen geschiedenis van een achttiende- eeuws schip

Auteur: Frits Fischer

Uitgever: Van Wijnen, Franeker

544 pagina’s

ISBN: 13 978 90 5194 1661 1

Prijs: € 89,50

Aanmelden nieuwsbrief

Meld je nu aan voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws van Maritiem Nederland.

Abonneer je nu!

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers

Bent u nog niet bekend met Maritiem Nederland? Vraag dan hier uw proefabonnement aan!

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers

Word ook abonnee!

Neem nu een abonnement en ontvang elke maand hèt vakblad voor de maritieme sector op de deurmat.

Sluit nu een abonnement af

Partners Maritiem Nederland