'Duizend bommen en granaten!' | Maritiem Nederland
Nieuws

'Duizend bommen en granaten!'



Jan van den Berg | zondag 17 december 2006

De bodem van de Noordzee ligt bezaaid met explosieven en munitie, voornamelijk uit de Tweede Wereldoorlog.

Voor de Koninklijke Marine is de Tweede Wereldoorlog nog lang niet voorbij. Vrijwel dagelijks is de Mijnendienst bezig om vliegtuigbommen en mijnen te vernietigen die toen in de Noordzee zijn terechtgekomen. We spreken over mijnen jagen, mijnen vegen en de Mijnendienst, maar de meeste explosieven die de dienst ruimt, zijn vliegtuigbommen. Niemand weet hoeveel er nog op de bodem van de Noordzee liggen. Zeker is in elk geval dat er vele duizenden zijn afgeworpen door Britse en Amerikaanse bommenwerpers, die hun doelen in Duitsland niet konden vinden of wegens schade voortijdig terug moesten keren naar hun basis. Omdat landen met bommen te riskant was, wierpen de piloten ze boven de Noordzee af, voornamelijk boven het zuidelijk deel ervan.

 

Koelkasten en oliedrums

De meeste explosieven liggen op de denkbeeldige lijn die van IJmuiden richting midden-Groot-Brittannië loopt. Ten noorden van deze lijn liggen mijnen uit beide wereldoorlogen. Verspreid over de hele Noordzee liggen bovendien nog tal van dieptebommen, granaten en torpedo’s.

 

Zelfs een expert als luitenant-ter-zee 1e klasse Herman Lammers waagt zich niet aan een voorzichtige schatting van het aantal explosieven dat nog op en in de bodem van de Noordzee ligt. Hij is stafofficier mijnenbestrijding van de commandant zeestrijdkrachten bij de marine. “Het enige zinnige wat we erover kunnen zeggen, is dat het er duizenden zijn.” De dienst haalt overigens ook heel andere zaken boven water, zegt luitenant-ter-zee 1e klasse Chiel van Hoorn, commandant van de mijnenjager ‘Hr. Ms. Zierikzee’. “We hebben al heel wat autowrakken, koelkasten en oliedrums gevonden. Die zijn groot, dus je ziet ze goed op de sonar.”

 

De Mijnendienst speurt in de Nederlandse wateren en het Nederlandse deel van het Continentaal Plat op de Noordzee niet meer actief naar mijnen. De vaarwegen en toegangen tot onze havens zijn zo goed mogelijk schoongemaakt. Mijnenjagers en duikvaartuigen gaan nu alleen nog af op explosieven die door anderen zijn gevonden. Dit zijn vrijwel zonder uitzondering vissers. Een enkele keer komt er een melding binnen van duikers die bijvoorbeeld torpedo’s vinden in een onderzeebootwrak.

 

'Bijvangst’

 De meeste Nederlandse Noordzeevissers vangen schol en andere platvissen, die op de zeebodem leven. Om ze te vangen, slepen de trawlers er met netten overheen. Daardoor komen explosieven regelmatig in de netten terecht, en vervolgens samen met de vis op het dek en in de ruimen van de trawlers. Vissers beschouwden deze ‘bijvangst’ lange tijd eerder als hinderlijk dan als gevaarlijk. Melden was meestal te veel moeite, het kostte immers veel tijd voordat de marine zo’n projectiel onschadelijk had gemaakt en van boord had gehaald. Het liefst gooiden ze het direct weer terug in zee. Dit liep vrijwel altijd goed af, ondanks de soms wel zeer nonchalante houding van de vissers, zegt Herman Lammers. “Een visser heeft eens een stekel met het ontstekingsmechanisme van een contactmijn afgeslagen. Het is een wonder dat die mijn niet is ontploft.”

 

Lammers kent maar twee gevallen van een vondst die wel is ontploft. “De eerste is al jaren geleden. Ik geloof niet dat er slachtoffers bij vielen. Maar het tweede geval staat in ons geheugen gegrift. Op 6 april 2005 haalde de ‘Maarten Jacob’ (OD-1) uit Ouddorp een bom omhoog. Toen de vissers het net openden om de vis in het ruim te storten, viel de bom op de rand van het ruim en deflagreerde (snelle ontbranding/red). Hierbij kwamen drie vissers om.”

 

Sindsdien zat de schrik er goed in. Het ongeluk vormde aanleiding voor de vissers en de Mijnendienst om het probleem serieuzer aan te pakken. De beste methode is om explosieven aan boord te houden totdat marinemensen ze ter plaatse onschadelijk komen maken en afvoeren, maar de meeste vissers vinden dit nog steeds te tijdrovend. Daarom is de Mijnendienst de vissers tegemoetgekomen, door sonarreflectoren ter beschikking te stellen. Die zijn goed zichtbaar op de sonar van de mijnenjager. De vissers kunnen ze aan een explosief bevestigen en het vervolgens zonder al te veel risico overboord zetten. Ze melden de vondst van het explosief en de locatie waar deze overboord is gezet aan het Kustwachtcentrum. Dankzij de reflectoren is het explosief eenvoudig op te sporen door de mijnenjager.

 

Bom op sleeptouw

Het is voor de vissers belangrijk om te weten dat de marine gevonden explosieven snel vernietigt. Daarom is er vrijwel permanent een mijnenjager op de Noordzee, een aanpak die blijkt te werken. Zo was er op 4 september geen enkele openstaande melding. De Mijnendienst heeft hard gewerkt om dit te bereiken, want tussen de ontploffing op de Maarten Jacob op 5 april vorig jaar en 10 augustus dit jaar zijn er maar liefst 468 meldingen van vondsten gedaan.

 

Op de laatstgenoemde dag ging mijnenjager Zierikzee vanuit Scheveningen de zee op om een vliegtuigbom onschadelijk te maken. Vier dagen eerder had het vissersschip ‘Eben Haezer’ (OD-8) die gevonden op bijna 30 zeemijl uit de kust van Zuid-Holland. De vissers had- den de bom in hun netten gekregen en weer overboord gezet met een sonarreflector.

 

De bom was snel gevonden. Duiker, eerste matroos, Ruben Sjoerdstra ging onder water en identificeerde een Amerikaans exemplaar van 250 pond. “Het was een kleintje, van maar 63 centimeter lang.” Toch was het niet mogelijk de bom ter plekke op te blazen, vult commandant Van Hoorn aan, “want zij lag te dicht bij een olieleiding.” De bom moest dus op sleeptouw. Sjoerdstra bevestigde de bom aan een ballon, waardoor deze ging drijven en zo naar een veiliger locatie te verplaatsen was. De volgende dag voer de Zierikzee terug naar die veilige plek, om het werk af te maken.

 

Dat gebeurt vanuit een van de twee onbemande duikbootjes, een Poisson Auto Propulsé (PAP) die met een kabel aan de mijnenjager verbonden is. Onder water neemt het bootje videobeelden op die in de mijnenjager te zien zijn. Zo zijn explosieven op te sporen. De PAP heeft een explosieve lading van 90 kilo TNT aan boord, die hij naast het te vernietigen explosief achterlaat.

 

Zodra de PAP weer binnenboord is, is de lading gereed voor ontploffing, legt luitenant-ter-zee 2e klasse Sandra Volkers uit. Zij is de hoogste officier van de Zierikzee “We zenden een geluidsgolf uit, waardoor de lading ontploft. Het explosief dat we willen vernietigen, gaat ‘symphatisch’ mee, zoals dat heet. De Zierikzee ligt dan op ongeveer vierhonderd meter afstand met de boeg richting het explosief. Op die manier heb je het minst last van de schokgolf die door het water gaat.”

 

De PAP is niet altijd nodig. Als het explosief op minder dan 10 meter diepte ligt, is de mini-onderzeeboot zelfs onbruikbaar. In dat geval moet iemand de explosieve lading handmatig plaatsen, vertelt Volkers, die ook duiker is. “We gebruiken dan een lading van 18 kilo TNT, die we op het explosief binden. Door het directe contact kun je met een kleinere lading volstaan dan die de PAP naast het explosief achterlaat. In dat geval is er altijd enige afstand tussen lading en bom of mijn. Om zeker te zijn dat die laatste afgaat, is een grotere lading nodig.”

 

Net als de PAP kent de inzet van duikers zijn beperkingen. Als de stroming sterker is dan 1 knoop, is duiken te gevaarlijk. Duikers werken tot een diepte van 55 meter. Een PAP is in te zetten tot 120 meter diepte. Slecht zicht vormt geen beperking voor de duikers, legt Ruben Sjoerdstra uit. “We worden opgeleid om op de tast te werken. We kunnen ons werk ook doen in ‘zwart water’, zoals wij dat noemen.”

 

Jagen en vegen

De Zierikzee is een mijnenjager. Met zijn sonar spoort hij mijnen en andere explosieven op die op de bodem liggen of die, verankerd aan de bodem, in het water zweven. Het zogeheten ‘mijnen vegen’ doet de Nederlandse marine niet meer sinds in 1997 de laatste mijnenveger buiten dienst is gesteld. Daarbij sleept een schip een tuig achter zich aan dat mijnen doet exploderen, doordat het de karakteristieken van een schip nabootst. Dit kan het magnetisch veld zijn of het geluid van schroeven.

 

De Mijnendienst zou graag nog beschikken over de mogelijkheid om te vegen, zegt Herman Lammers, “want mijnen jagen heeft zijn beperkingen. Als de bodem rotsig of erg modderig is, is het lastig om explosieven op te sporen met een sonar. En als er veel stroming is, kan het moeilijk zijn om de PAP te gebruiken. Moderne mijnen bevatten bovendien nauwelijks metaal, waardoor ze moeilijk te zien zijn op de sonar. Die kun je alleen effectief ruimen door te vegen.” De Koninklijke Marine wil over drie jaar weer mijnen kunnen vegen. Dat zal dan gebeuren met onbemande mijnenvegers, te besturen vanaf vaartuigen van de Alkmaar-klasse, zoals de Zierikzee. Elk moederschip kan vier van deze drones aansturen. Ze zijn ongeveer 30 meter lang. De onbemande mijnenvegers wil men met name inzetten om de toegang tot havens ‘schoon’ te vegen. Op open zee zullen ze niet zo snel nodig zijn. De mijnenvegers moeten ook buiten Nederland te gebruiken zijn. De Koninklijke Marine is, samen met de marines van Denemarken en Zweden, op dit moment nog bezig met de verdere ontwikkeling van de automatische mijnenveegtechniek.

 

Daarnaast loopt er een programma voor modernisering van de mijnenjagers. Dat moet in 2010 afgerond zijn. Daarna zullen ze waarschijnlijk nog vijftien jaar in gebruik blijven.

 

De belangrijkste vraag bij dit alles is of het nodig is om de huidige mijnenbestrijdingscapaciteit in stand te houden. Lammers denkt van wel. “Mijnen zullen niet uit de arsenalen van marines verdwijnen. Daarvoor zijn ze te effectief. De prijs van een mijn bedraagt ‘slechts’ enkele duizenden euro’s. Geavanceerde types zijn duurder, maar meer dan tienduizend euro per stuk kosten ze niet.”

 

Een ‘goedkoop’ mijnenveld van duizend exemplaren kan heel wat ellende aanrichten, zo bleek tijdens de eerste Golfoorlog bij de bevrijding van Koeweit door de coalitietroepen in 1991. Drie Amerikaanse marineschepen, waaronder de kruiser ‘Princeton’, liepen hierbij op een mijn. De schade van slechts drie mijnen bedroeg bij elkaar 124 miljoen dollar (circa honderd miljoen euro). Om zulke incidenten te voorkomen, blijft investeren in mijnenbestrijding een noodzaak.

 

www.marine.nl

 

Internationale samenwerking

Mijnen bestrijden doet Nederland niet alleen op eigen gelegenheid. De Nederlandse mijnenjagers maken regelmatig deel uit van de Standing NATO Response Force Mine Counter Measures Group 1. Dit is een NAVO-eskader dat actief is in de wateren van Noordwest-Europa. Afgelopen september bevond een Nederlandse mijnenjager zich in de Oostzee, voor de oefening Open Spirit 2006. Hieraan deden twintig mijnenjagers en -vegers uit elf landen mee. Een van de doelstellingen was het ruimen van Duitse mijnen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog in de Golf van Riga.

 

Buiten Europa hebben Nederlandse mijnenjagers dienstgedaan in de Perzische Golf. In 1987 en 1988 was tijdens de oorlog tussen Iran en Irak een groep van twee Nederlandse en twee Belgische mijnenjagers actief. Ze kregen ondersteuning van een Belgisch bevoorradingsschip. In het Caribisch gebied heeft de Koninklijke Marine geen mijnenjager. Hier zijn nauwelijks of geen mijnen. Wel maakte de Mijnendienst eerder dit jaar bij Curaçao explosieven uit de negentiende eeuw onschadelijk.

 

De Mijnendienst

De Mijnendienst telt veertien schepen, waarvan tien mijnenjagers van de Alkmaar-klasse. De schepen sporen, met behulp van sonar, mijnen en andere explosieven op. Ze beschikken alle over twee Poissons Auto Propulsés (PAP), op afstand bestuurbare onbemande duikbootjes, om explosieven van nabij te inspecteren. De duikbootjes kunnen ook een explosieve lading achterlaten bij een mijn of bom om die op te blazen.

 

De mijnenjagers zijn ook inzetbaar voor andere doelen. Zo doet een ervan regelmatig dienst voor de Kustwacht, en verricht dan politie- en andere toezichttaken. Verder verrichten mijnenjagers hydrografische taken, zoals het vervaardigen van zeekaarten. De Alkmaar-klasse telde aanvankelijk vijftien schepen. De marines van België , Frankrijk, Pakistan en Indonesië hebben bij elkaar ook dertig schepen van deze klasse laten bouwen.

 

Daarnaast beschikt de marine over vier duikvaartuigen van de Cerberus-klasse. Met hun 223 ton waterverplaatsing zijn ze veel kleiner dan de mijnenjagers. Ze doen dienst als platform voor duikers, onder andere om mijnen onschadelijk te maken. Een ervan, de ‘Hydra’, wordt gebruikt voor het opleiden van duikers. Dit schip is voor dit doel 10 meter verlengd, zodat er meer leerlingduikers mee kunnen.

 

Ook de Duik- en Demonteer Groep en het Duikmedisch Centrum maken deel uit van de Mijnendienst. Dat centrum keurt de marineduikers en bemanningsleden van onderzeeboten. Tot slot is er de mijnenbestrijdingsschool Eguermin in Oostende. Dit is een Belgisch-Nederlandse opleiding voor ‘mijnenruimers’ van beide marines. In totaal zijn in Nederland ongeveer achthonderd mensen betrokken bij de mijnenbestrijding.

 

 

HR. MS. Zierikzee

Alkmaar-klasse

Lengte over alles: 51,5 m

Breedte: 8,9 m

Diepgang: 3,8 m

Waterverplaatsing: 543 t

Snelheid: 15 kn

Voortstuwing: 1.860 pk (Stork Werkspoor)

Bemanning: 44 p

Bewapening: Oerlikon-mitrailleurs 20 mm; 2 x PAP 104 MNV

Aanmelden nieuwsbrief

Meld je nu aan voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste nieuws van Maritiem Nederland.

Abonneer je nu!

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers

Bent u nog niet bekend met Maritiem Nederland? Vraag dan hier uw proefabonnement aan!

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers

Word ook abonnee!

Neem nu een abonnement en ontvang elke maand hèt vakblad voor de maritieme sector op de deurmat.

Sluit nu een abonnement af

Partners Maritiem Nederland