Techniek&innovatie

Hans Lodder, commandeur Koninklijke Marine:


‘Papier is leuk, maar je wilt ook iets tastbaars’

Branche: Marine | Auteur: Menno Steketee | Publicatiedatum:

Na een lange maritieme carrière bij de Koninklijke Marine weet commandeur Hans Lodder uit ervaring wat er van marinematerieel verlangd wordt. Nu werkt hij bij DMO en werpt hij zijn licht op het materieel van de toekomst. “De Holland-klasse is een interessant concept, maar wat als je door een nauwe zeestraat vaart met zwaar geschut aan de wal?”

De afspraak met commandeur Hans Lodder (52) van de Koninklijke Marine is in restaurant Runners, op een paar honderd meter van de Haagse Frederikkazerne. En nee, die restaurantnaam refereert niet aan de drugsrunners in ‘De West’, al decennialang op de huid gezeten door de marine en de Antilliaanse kustwacht. Runners is een sportnaam, legt de eigenares voor Lodders komst uit: “Hardlopers.” Maar gezien de grote aanloop van Defensie had ze liever de oude naam weer op de gevel gezet: Marketentster. Ja, we weten wat dat woord betekent.

‘De ongelooflijk amicale werksfeer aan boord is fantastisch, die vind je echt nergens’ 

Lodder valt bij zijn binnenkomst op, andere gasten draaien hun hoofd. Het zijn misschien collega’s, maar hij zat ook al een aantal keer in een televisiestudio, bijvoorbeeld om uitleg te geven over de achtergronden en de praktijk van antipiraterijmissies van de NAVO en de Europese Unie rond de Hoorn van Afrika. Als commandant van ‘Hr. Ms. Tromp’ zat hij daarbij eerste rang.

Logische keuze

Lodder werkt sinds drie maanden als souschef materieelprojecten bij de Defensie Materieel Organisatie (DMO) na een lange maritieme carrière. “Mijn vader zat bij de koopvaardij, dan trekt de zee”, dus de keuze voor de marine was een logische. Toch had het weinig gescheeld of Lodder had in 1979 een heel ander pad ingeslagen. “Ik was door de strenge selectie van het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder gekomen, maar tot mijn verbazing was ik ook ingeloot voor Diergeneeskunde in Utrecht.” Ook iets met beesten, grijnst hij. “Ik heb getwijfeld, maar ik dacht: ik ga eerst eens bij de marine kijken en daar ben ik in gebleven.” De reden daarvoor hoor je vaker in marinekringen: “Natuurlijk, het moet je ook gewoon líggen, maar de ongelooflijk amicale werksfeer aan boord is fantastisch, die vind je echt nergens.”

Lodder zat meer dan eens loge bij de geschiedenis. Nadat hij in de jaren negentig een tijd bij de Britse Royal Navy was gedetacheerd, kreeg hij een post op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel juist op het moment dat het bondgenootschap Operatie Allied Force begon, vanwege Kosovo. De nasleep van de aanslagen van 11 september 2001 brachten hem als commandant van het M-fregat ‘Hr. Ms. Van Amstel’ onder andere naar de Golfwateren. Niet lang na een plaatsing bij het US Naval War College nam hij het bevel op zich van het LCF ‘Hr. Ms. Tromp’ in de strijd tegen de hedendaagse boekaniers die de afgelopen jaren vaak de krantenkoppen beheersten.

Zijn huidige baan moet in schril contrast staan met al die zilte praktijk. Maar, zoals hij bij de intussen aangekomen uitsmijter ham zegt: “Dat valt best mee. Ik was al een paar jaar eerder betrokken bij het formuleren van behoeftestellingen en aan het schrijven van operationele concepten, onder andere van het Joint logistical Support Ship (JSS) en de Holland-klasse Oceangoing Patrol Vessels (OPV’s) , de nieuwe patrouilleschepen van de marine. En dat is mooi: die komen nu echt in dienst.” Op de werf van Damen in Roemenië legt men de laatste hand aan de JSS, die in 2014 in dienst moet komen. De ‘Groningen’, de laatste van de Holland-klasse, is in januari overhandigd aan de Koninklijke Marine. “Papier is inderdaad leuk, maar je wilt toch ook iets tastbaars.”

De maritieme zijde van de materieelprojecten is overigens niet zijn enige werkterrein, dat behelst ook die van andere krijgsmachtdelen. “Ik was net nog bij de overdracht van de eerste Kodiak genietank voor de Koninklijke landmacht.” Hij heeft bemoeienis met alle moderniseringen, afstoot van oud materieel en aanschaf van nieuw. “Eén uitzondering: de opvolging van de F-16.”

Perfect opgetuigd

De bezuinigingen bijten hard, op alle departementen, dus ook op Defensie. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de DMO-projecten stilstaan. En al helemaal niet dat niet al conceptueel wordt nagedacht over nieuwe generaties materieel.

Hr. Ms. HollandHet JSS en de Holland-klasse vloeiden voort uit de Marinestudie van 2005, die de marine flexibeler moest kunnen laten optreden bij typisch eenentwintigste-eeuwse dreigingen. “Om een voorbeeld te geven: wij kijken met iets andere ogen naar de zogenoemde Arabische Lente.” De Holland-klasse, zegt Lodder, is perfect opgetuigd voor bijvoorbeeld humanitaire missies, antidrugsoperaties en operaties tegen piraten rond de Hoorn van Afrika. “Maar, om daar te komen moet je wel door de zeer nauwe Bab-el-Mandebstraat. Als je daar doorheen vaart, kun je op beide oevers mensen zien lopen. Als daar partijen zijn met vijandige bedoelingen, wordt het lastig om daar met een lichtbewapende Holland doorheen te varen.”

Voor beter beveiligde schepen blijft dus emplooi bestaan, maar die moeten tevens taken op zich kunnen nemen, laag in het geweldsspectrum waarin die patrouillevaartuigen excelleren. Voor toekomstige marineschepen, bijvoorbeeld het type dat ergens ver op de planningshorizon de twee resterende M-fregatten moet gaan vervangen, is daarom ‘adaptiviteit’ het toverwoord. Voor het geestesoog verschijnt een schip dat én alle taken van de Holland aankan én voor zichzelf mijnen kan opsporen en zich kan verweren tegen luchtaanvallen en tegen antischipraketten. Lodder: “Je wilt een antwoord hebben op zo veel mogelijk bedreigingen, maar het is meteen duidelijk dat dit niet allemáál tegelijkertijd kan. Je moet dus een schip zo inrichten dat dit voor een reeks missies geschikt kan worden gemaakt. Je moet dus de vraag stellen: welk probleem moet worden opgelost?”

Het dusdanig inrichten dat een schip een diversiteit aan taakmodules kan meevoeren, is niet alleen een technisch of organisatorisch vraagstuk - om de financiële kant hiervan maar helemaal buiten beschouwing te laten. “Wat we zien, is dat de menselijke factor een belangrijke f lessenhals is. Stel, je hebt één module een tijd niet nodig. Hoe houd je dan het personeel dat daar bij hoort al die tijd scherp? Dat blijft een lastige kwestie.”

Poppetjes nodig

En dan is er nog de uitdaging om al deze taken toch met zo weinig mogelijk personeel, immers de belangrijkste kostenpost bij Defensie, uit te voeren. “We hebben op dat terrein al grote vorderingen gemaakt. In de jaren negentig zat ik op De Amstel van 3000 ton met 190 man. De Tromp meet 6000 ton daar had ik in 2010 een even grote bemanning! Ga maar eens bij een andere marine kijken: dat is nog niemand gelukt.” Bij een volgende generatie schepen gaat de aandacht dan ook uit naar het autonoom maken van sommige functies.

Viceadmiraal Matthieu Borsboom heeft al eens schertsend gezegd dat hij een fregat met een bemanning van vijftig koppen wel mooi zou vinden, maar of dat helemaal haalbaar is, is vers twee. “Bij calamiteiten heb je écht wel je poppetjes nodig.” Branden en lekken zijn niet weg te automatiseren. Ook bij de opvolging van de Alkmaar- klasse mijnenbestrijdingsvaartuigen speelt de discussie over modules, functionaliteit en personeel.

Het onderwerp kan niet worden overgeslagen: de bevrijding van de bemanning van het gekaapte Duitse containerschip ‘Taipan’ op 5 april 2010. Iedereen kent de spectaculaire beelden van de Lynx, de boordheli die stil hangt boven de plecht. Snel rappelt een boarding-team boven op de con- tainers waarna ze de tien piraten in de boeien slaan. De opvarenden hadden zich opgesloten in de safe-room, maar hun opluchting was groot dat de mannen van de Tromp hun tot de tanden bewapende belagers hadden ingerekend. Lodder denkt er nog vaak aan: “Of je de jongens erop afstuurt is toch een beslissing over, mogelijk, leven of dood. Je weet niet precies wat ze daar gaan aantreffen. Het liep dankzij goede training en voorbereiding goed af.”

De mediagenieke actie had voor Lodder nog een staartje, een gunstig staartje, dat wel. “Ik kreeg later een mail van een Duitser die me schreef: bedankt voor het bevrijden van mijn zoon. Die mail stuur ik nog wel eens, minus de naam, naar mensen om uit te leggen waaróm we bij de marine doen wat we doen.” 

Onderwerpen
Deel deze pagina
Betabanen

Maritiem Nederland

Welkom op de site van Maritiem Nederland, hét opinie- en vakblad voor de gehele maritieme sector in Nederland.

Editie MN 09-2018

Partners Maritiem Nederland