Techniek&innovatie

Cees de Boer, directeur Urkse Osprey Group:


‘Het MSC-certificaat is niet ons eindstation’

Branche: Visserij | Auteur: Menno Steketee | Publicatiedatum:

Voor wie als visser zijn hoofd boven water wil houden in deze sector geldt dat hij moet investeren in duurzame vangsttechnieken. De Osprey Group behaalde als een van de eerste grote Nederlandse visserijreders het MSC-certificaat. Directeur Cees de Boer: “Dat certificaat maakt het ons op zijn minst mogelijk om het hoofd boven water te houden.”

In de gang op weg naar een vergaderruimte, op de derde verdieping van een onopvallend kantoorpand annex loods aan de Urkse Domineesweg, passeren we een glazen vitrine met een model van een houten botter. Dat is het schip waarmee de vader van de Urkse visserijreder Cees de Boer de visserij begon. Mooi scheepje ja, zegt De Boer, maar deels bedriegt de schijn. “Mijn vader vertelde vaak: ze zeggen wel eens dat het de goeie ouwe tijd was, maar, zei hij dan, wees maar blij dat je hem niet hebt meegemaakt. Beulen en ploeteren was het geweest. Kijk maar op het monument in het dorp, dan zie je hoeveel mensen er in die tijd verdronken.”

Grillige dynamiek

De visserij is nog steeds een van de gevaarlijkste beroepen, maar het bestaansrisico lijkt tegenwoordig vooral in de economische hoek te zitten: de hoogte van de olieprijs, de quota die ‘Brussel’ toewijst en de grillige dynamiek van de markt. Alleen al in Urk halveerde de afgelopen jaren de vloot van hier geregistreerde vissersschepen. Die krachten hebben De Boers Osprey Group ertoe gebracht om te gaan vissen met innovatieve, duurzame vismethodes. Daarom behaalden ze als een van de eerste grote Nederlandse visserijreders het merk van goedkeuring van de Maritime Stewardship Council (MSC). En dat werpt vruchten af. “Dat MSC-certificaat maakt het ons op zijn minst mogelijk om het hoofd boven water te houden.”

‘Pangasius komt helemaal uit Vietnam, dus dat kán eigenlijk al niet duurzaam zijn. Gelukkig zijn er veel mensen die een mooie schol prefereren’ 

“Laten we bij het begin beginnen”, zegt De Boer wanneer we ons in een vergaderruimte onder manshoge visserijkaarten van de hele Noordzee en het Kanaal installeren. Ook in het begin waren er financieel onzekere tijden. “Mijn vaders vader moest geld lenen om een boot te kopen, 1800 gulden van de bank. Toen hij na een leven lang vissen zijn boot overdeed, had hij nog steeds een schuld van 1800 gulden. Hij had geleefd, maar niets afgelost.”

Mijn vader kocht, na in de oorlog ‘binnen’ te hebben gevist op het IJsselmeer, in 1941 met een vriend een houten schip. Na de oorlog lieten ze een ijzeren schip bouwen en gingen ze vooral achter de haring aan, in de zuidelijke Noordzee en in het Kanaal. “Dat ging goed.” Binnen drie jaar hadden ze niet alleen het scheepje afbetaald maar ook geld gespaard voor een nieuw, tweede schip.

Die stijgende lijn kon de familie De Boer de decennia daarna doorzetten. “In 1985 hadden we zeventien boomkortrawlers.” Ooms, broers en intussen ook neven van de huidige directeur kwamen in dienst bij het bedrijf.

Donkere wolken

In de jaren negentig pakten zich boven de Nederlandse visserijsector donkere wolken samen. “Samengevat: de olie werd duurder, de quotering strenger en de vis goedkoper.” Vooral die olieprijzen hakten er goed in. Sommige van de trawlers verstookten 55 tot 60 ton brandstof per week. En dat kon niet worden goedgemaakt met nog grotere vangsten doordat visserijbiologen waarschuwden voor overbevissing en er quota voor Nederlandse vissers werden ingesteld. “Het ging verkeerd, we moesten iets doen.”

De eerste oplossing die ze aanwendden, was de vangsten van vooral scholquota te vergroten door uit te wijken naar Engeland waar nog quota te verkrijgen waren.” ‘Dutch invasion’ kopten de kranten daar, herinnert De Boer zich, als illustratie van het koude onthaal dat de Nederlandse schepen aan de overkant van de Noordzee kregen. Het leverde wel de huidige Engelse naam van de rederij op: Osprey Group. De Britse korzeligheid was van korte duur, maar de quotumproblematiek niet. “De quota werden na verloop van tijd ook daar kleiner en kleiner.”

Daar zaten ze dan, eind jaren negentig, met de economische hamvraag: Schol moest de ‘targetvis’ blijven, maar hoe die te vangen bij een stukken lager brandstofverbruik? In 1999 gingen de broers De Boer op studiereis naar Spanje, om zich te oriënteren op nieuwe, zuinigere vistechnieken. Allereerst wilden ze schepen in dienst hebben van een stevig zeewaardig, maar zuinig model. Ook de grove vangstmethodes moesten efficiënter. Ze kwamen uit op een zogeheten twinrig, een soort dubbel net dat de vissen zonder hulp van de zware kettingen van de boomkor uit het zand in de zak weet te krijgen.

De twee nieuwe schepen die in 2002 voor de Osprey Group in Spanje van stapel liepen, werden meteen uitgerust met apparatuur voor de techniek van het f lyshooten, eveneens een zuinigere en efficiëntere vangstmethode dan het zeulen van zware kettingen over de zeebodem. “Het brandstofverbruik nam daarmee af van die genoemde 60 naar ongeveer 18 ton per week. Dat was al een enorm verschil.”

Het kostte nog wel enige moeite om de nieuwe vangstmethodes onder de knie te krijgen, maar na wat vallen en opstaan belandden ze in een nieuw evenwicht. In de zomer vissen ze op de Noordzee op schol en in de winter op allerlei andere vissen in het Kanaal. “Dat gaat dan om vissen zoals mul, inktvis en poon, waarvoor geen quotum bestaat.”

In de genen

Het vissen zit intussen in de genen van de familie zegt hij. Zijn broers zitten in de vis, zijn zoons en al zijn neven. En dat zijn er nogal wat. “Mijn vader had 130 tot 140 kleinkinderen, ik ben de tel kwijt. Zijn schoondochter heeft een keer gezegd dat zijn kleinzoontje maar niet moet gaan vissen. “Maar het ventje spelt nu al het visserijblaadje en wijst naar ‘boot’ en ‘vis’, dus dat is een verloren zaak.”

En dan komt MSC ter sprake. “Eigenlijk waren we met de scholvisserij al duurzaam bezig vanuit puur economische redenen. Dus was het niet meer dan logisch om het MSC-certificaat aan te vragen.” In 2010 werd het verleend, wat betekent dat de Osprey Group alleen vist op goede bestanden in een gezond ecosysteem en daar bovendien een kloppende administratie van bijhoudt en zich door onafhankelijke instanties laat controleren. Er zijn intussen meer rederijen die opgaan voor het certificaat. “De vis wordt aangemerkt als rood als hij niet duurzaam is gevangen en supermarkten hebben liever Greenpeace niet op hun dak.” De Boer vindt het dan ook betreurenswaardig dat vissen als pangasius zo’n hoge vlucht nemen. “Die komen helemaal uit Vietnam, dus dat kán eigenlijk al niet duurzaam zijn. Gelukkig zijn er wél veel mensen die een mooie schol prefereren, gewoon hier op een goede manier, dicht voor de kust gevangen.”

De Osprey Group heeft momenteel een vloot van vier twinrig schepen. Een daarvan is de E-104, met een lengte van 36,6 meter en een breedte van 8,80 meter.  De Osprey Group laat de verwerking van de vis nog in Urk gebeuren, maar heeft de verkoop en distributie intussen ook in eigen beheer genomen. Er wordt wel samengewerkt met een aantal geselecteerde partners. Maar het ertussenuit halen van de onnodige schakels van de tussenhandel draagt bij aan de economische gezondheid van de rederij.

Het verkrijgen en vasthouden van het MSC-certificaat is qua duurzaamheid niet het eindstation van de Osprey Group. Dat laat een korte rondleiding zien in de hallen naast het kantoor waar netten, kettingen, kabels en andere visserijaccessoires hoog liggen opgestapeld. “We proberen nieuwe maaswijdtes uit, zodat er minder brandstof nodig is om het net te slepen. Ook experimenteren we met variabele diktes van de sweepline, de kabel voor het net, alweer om brandstof te besparen.”

Mooi geweest

In de praktijk zal De Boer zélf deze innovaties niet meer testen. Na 35 jaar op de brug van een kotter te hebben gestaan, is het wel mooi geweest. Mist hij het vissen dan niet? Soms wel, zegt hij. “Maar wanneer mijn zoon eens een week thuis bij zijn gezin wil blijven, dan vaar ik een enkele keer weer uit, op zijn schip.” Hij lacht: “Verleden jaar voer ik met de ene boot en mijn andere zoon met de tweede. Naar het Kanaal. Op donderdag hadden we nog niets gevangen. Alles of niets dacht ik. Misschien zit er op één plek zeebaars. De eerste trek: 20 kilo. Helemaal niks, dus. De tweede trek: paar honderd kilo. Dat was al beter. Derde trek 5500 kilo. En de andere kotter ook een hoop.” Werd het toch nog een topweek. Hij grijnst: “Ik kon het nog.” 

Onderwerpen
Deel deze pagina
Betabanen

Maritiem Nederland

Welkom op de site van Maritiem Nederland, hét opinie- en vakblad voor de gehele maritieme sector in Nederland.

Editie MN 09-2018

Partners Maritiem Nederland