Achtergrond

Havenbedrijven 010 en 020 werken aan CO2-neutrale toekomst


Wind op zee biedt meer dan elektriciteit

Auteur: Antoon Oosting | Publicatiedatum:

De aanpak van de havenbedrijven van ‘010’ en ‘020’ voor de energietransitie verschilt, maar de sleutel hiervoor is in beide havens dezelfde. Waar Havenbedrijf Amsterdam heeft gekozen voor het stellen van een deadline (2030) voor het uitfaseren van de overslag van kolen, ziet Havenbedrijf Rotterdam daar voorlopig geen brood in. Het doel is echter: een CO2-neutrale toekomst. En de sleutel hiervoor ligt in beide havens in de grootschalige toepassing van wind op zee.

Maritiem Nederland sprak met Eduard de Visser en Victor Schoenmakers, de chief technology officers van de twee havenbedrijven. Tijdens het Maritieme Energie Transitie-event op 15 maart 2018 gaan zij in discussie over de vraag hoe de haventerreinen er in de toekomst bij liggen.

Op het moment van schrijven van het artikel heeft het Havenbedrijf Rotterdam zojuist bekend gemaakt samen met de Gasunie, netbeheerders TenneT en het Deense Energinet op eilanden in zee grootschalige windenergie te willen gaan ontwikkelen. Voor landen rond de Noordzee is ca. 180 GW wind op de Noordzee nodig om de klimaatafspraken van Parijs (COP21) te realiseren. De Rotterdamse industrie heeft daarvan 7 tot 12 GW nodig, zowel in de vorm van elektriciteit als in waterstof (door elektrolyse te maken uit windenergie) om haar productie CO2-neutraal te kunnen maken.

Ook Havenbedrijf Amsterdam zet in op de grootschalige toepassing van stroom uit wind op zee voor de opzet van een nieuwe, circulaire en CO2-neutrale maakindustrie in zijn haven. Stroom die moet komen van het in het volgende decennium aan te leggen giga-grote windpark op zee dat in de plannen te boek staat als ‘IJmuiden-Ver’. Op 75 kilometer uit de kust moet daar vanaf 2023 voor 6600 megawatt vermogen aan windturbines kunnen worden geïnstalleerd.

Die hoeveelheid windenergie op zee komt bovenop de 3500 megawatt die nu al in ontwikkeling of gepland is in de windparken Borssele I en II (1400 megawatt), Hollandse Kust-Zuid (1400 megawatt) en Hollandse Kust-Noord (700 megawatt). Op dit moment staat er 1 GW op de Noordzee. “Die 10 gigawatt aan vermogen in windenergie zullen van fundamentele invloed zijn op het energiedebat in Nederland”, zegt Eduard de Visser, hoofd strategie en innovatie van Havenbedrijf Amsterdam.

Parallel met ‘Slochteren’

Met een bul in geschiedenis (en een MBA behaald in Rotterdam) doet het hem denken aan de start van de levering van het eerste aardgas (1963) uit de vier jaar eerder ontdekte grote gasbel van Slochteren. De Visser: “Dat heeft destijds ook een enorme revolutie met zich meegebracht. Van lokale productie van energie gingen we naar nationale productie met de aanleg van een enorme infrastructuur voor de levering van aardgas.”

“Nu staan we op een zelfde soort kantelpunt. De energie voor ons land ligt nu op zee in de vorm van windparken. De lagere kosten hiervan maken het technisch mogelijk, maatschappelijk wenselijk en economisch aantrekkelijk om dit nu grootschalig te ontwikkelen”, aldus De Visser.

‘De olieproducten in de tanks in de haven maken op den duur plaats voor op waterstof gebaseerde productie’

Aangezien een groot deel van de capaciteit aan elektriciteitsproductie vlak ‘voor de voordeur’ van de haven van Amsterdam is gesitueerd, biedt dat volgens De Visser voor het havenbedrijf twee hele grote kansen. Allereerst is dat de aanleg van en vervolgens het onderhoud aan de windparken waarvoor de haven van IJmuiden ‘perfect is gepositioneerd’. De Visser: “Dat is vanuit de meer traditionele blik bekeken. Maar de tweede vraag is wat we met al die stroom gaan doen.”

Omzetting in waterstof

Volgens De Visser is het een grote uitdaging om die enorme hoeveelheden op zee geproduceerde elektriciteit naar het achterland te krijgen. “10 Gigawatt aan stroom krijg je niet meer via de bestaande infrastructuur van onze elektriciteitsnet naar bijvoorbeeld Duitsland. Alles onder de grond stoppen is vanwege de hoge kosten hiervan ook niet haalbaar.” Overigens is niet alleen het transport een grote uitdaging, maar ook de opslag van hernieuwbare energie. Ook daarvoor is omzetting in waterstof praktisch, ondanks het energieverlies bij omzetting van ca. 30 procent.

Veel nuttiger wordt wat hem betreft de vraag hoe al die stroom kan worden gebruikt om waterstof te produceren. Waterstof is op zich al een energiedrager waar je bijvoorbeeld auto’s op kunt laten rijden, maar door die waterstof te combineren met CO2 kun je ook methanol maken; wat niet alleen opnieuw als energiebron kan worden ingezet, maar ook een belangrijke grondstof voor de chemische industrie vormt.

“Wind op zee biedt dan ook veel meer dan puur elektriciteit. Het is ook de basis voor een veel verder strekkende energietransitie als basis voor productie van ook andere synthetische brandstoffen”, zegt de Visser. Volgens hem biedt dit nieuwe industriële kansen voor de ontwikkeling van duurzamere chemie in de haven van Amsterdam. De Visser: “Het mooie is dat hiermee een hele natuurlijke ontwikkeling op gang kan komen, waarbij Amsterdam zijn positie als energiehaven kan behouden en verder kan ontwikkelen. De olieproducten die voorlopig nog in de tanks in de haven van Amsterdam zitten, maken op den duur plaats voor op waterstof gebaseerde productie. Die ontwikkeling moeten we nu voorbereiden om dat straks mogelijk te maken. Hoe lang dat gaat duren? Voorlopig vliegen we nog niet elektrisch, dus traditionele brandstoffen blijven belangrijk. Maar het denken en ook het voorbereiden op de alternatieven begint nu.”

‘Nu praten we in de haven nog vooral over overslag van tonnage, straks ook in voltage’

Concreet betekent dit dat Havenbedrijf Amsterdam nu moet gaan onderzoeken wat er voor infrastructuur nodig is om die productie van synthetische brandstoffen uit CO2 en elektriciteit mogelijk te maken. “Wij moeten als haven veel beter naar onze ondergrondse netwerken kijken. Nu praten we in de haven nog vooral over overslag van tonnage, straks ook in voltage. De overslag gaat nu nog via de kade, maar straks ook via de kabel”, zegt de Visser.

De uitfasering van de kolen past volgens De Visser in deze ontwikkeling. Havenbedrijf Amsterdam bereidt zich voor op scenario van een kolenvrije haven in 2030 . Anders dan in Rotterdam zijn de in Amsterdam aangevoerde kolen vooral (ca. 80 procent) bestemd als brandstof voor kolencentrales. De Nuoncentrale in Amsterdam gaat sowieso voor 2030 dicht en ook vanuit Duitsland voorziet De Visser een duidelijke afname van de vraag naar kolen.

Vooral staalkolen

Dat is dus het grote verschil met Rotterdam waar 40 procent van de aangevoerde kolen bestemd is als brandstof voor de Duitse hoogovens. Voor de productie van staal uit ijzererts zijn temperaturen van 1500 graden nodig en die zijn op dit moment alleen grootschalig te bereiken met kolen. Staal wordt voor tal van dingen gebruikt in de samenleving, zoals de productie van windmolens en elektriciteitskabels.

“Zo’n 40 procent van onze kolenoverslag betreft staalkolen. Dat is echt een ander idee dan het opstoken in een kolencentrale,” zegt Victor Schoenmakers, director corporate strategie van het Havenbedrijf Rotterdam. “Wij gaan niet tot in detail zeggen hoe bedrijven de energietransitie moeten uitvoeren. Maar bij de overslagbedrijven zitten ze ook niet stil en weten ze natuurlijk ook dat de overslag van kolen niet eeuwigdurend is.”

Schoenmakers benadrukt het weloverwogen, doordachte karakter van de Rotterdamse aanpak. In plaats van ‘in het wilde weg iets te gaan doen’ is in de woorden van Schoenmakers ‘gedetailleerd en minutieus in kaart gebracht’ hoe het Havenbedrijf Rotterdam de energietransitie kan uitvoeren. Het hiervoor benodigde onderzoek is uitgevoerd door het Wuppertal Institute for Climate, Environment and Energy. “Eigenlijk hadden we natuurlijk gisteren al moeten beginnen. Maar ook nu is de conclusie van dat onderzoek dat het CO2-neutraal maken van de haven in 2050 absoluut nog steeds mogelijk is. Maar wat ook duidelijk werd, is dat we dit als Havenbedrijf Rotterdam alleen niet voor elkaar krijgen”, zegt Schoenmakers.

Circulaire economie

Om het doel van een CO2-neutrale haven te bereiken moet het Havenbedrijf Rotterdam alle stakeholders in de haven, iedereen die op een of andere manier een belang in of bij die haven heeft, zien mee te kringen in ‘coalitions of the willing’. Het Wuppertal-onderzoek leverde drie mogelijke wegen op om het einddoel te bereiken. “In twee van de drie gevallen is afvang en opslag van CO2 via CCS (Carbon Capture and Storage, AO) nodig”, zegt Schoenmakers.

De andere belangrijke elementen zijn vervanging van de feedstock (grondstof) voor de petrochemische industrie van fossiel naar bio, het gebruik van waterstof en een veel slimmer gebruik van de in de haven van Rotterdam vrijkomende restwarmte. Om de CO2-uitstoot vanuit de industrie verder terug te dringen, wil het Havenbedrijf Rotterdam naar een circulaire economie waarbij er geen afval meer ontstaat maar restproducten altijd opnieuw kunnen worden gebruikt. Schoenmakers: “Daarvoor moet je toe naar een verregaande elektrificatie van de industrie. Dat vereist niet alleen de medewerking van de industrie zelf maar ook de import van veel extra elektriciteit die we nu nog niet hebben.” Vandaar ook de betrokkenheid van de haven bij de plannen voor aanleg van nieuwe eilanden op de Noordzee voor de grootschalige productie van energie uit wind op zee.

‘Wat meehelpt is dat we met het nieuwe regeerakkoord nu wel de wind in de rug hebben’

“Het gaat er om nu snel in actie te komen om een aantal grote projecten zoals CCS te kunnen opstarten. Daarvoor is de aanleg van veel nieuwe infrastructuur nodig. Wat meehelpt is dat we nu wel de wind in de rug hebben met het nieuwe regeerakkoord”, aldus Schoenmakers. Hij wijst er op dat de Rotterdamse plannen op acht punten in het regeerakkoord worden genoemd. Om het CCS-project van de grond te krijgen is het nodig dat de Rotterdamse chemie- en raffinagesector – Rotterdam telt er maar liefst vijf – zich hier bij aansluit.

Schoenmakers: “Belangrijkste vraag hierbij wordt natuurlijk hoe de businesscase er uit gaat zien. Wat is het hen waard en wat is de bijdrage van de overheid. Cruciaal daarin is hoe de prijs voor de uitstoot van CO2, de emissierechten, zich ontwikkelt. Als die prijs stijgt, wordt het gat tussen de emissierechten en de kosten voor afvang en opslag gemakkelijker te overbruggen. CCS is de snelste manier om de uitstoot van CO2 substantieel terug te dringen. Dat moet zowel bedrijven als overheid wat waard zijn. We moeten nu wel doorpakken, je kunt hier niet langer mee wachten.”

Transitiecoalitie

Wat dat betreft is alle hoop nu ook gevestigd op de eerder genoemde strategie van vorming van een ‘coalition of the willing’. Die krijgt nu inderdaad vorm. Er is inmiddels een TransitieCoalitie van 65 toonaangevende bedrijven in Nederland, die pleit voor versnelling van de energietransitie. Daar zitten ook grote, belangrijke havenbedrijven bij als Shell, Vopak, Neste Oil, Van Oord en Huntsman (chemie). Deze TransitieCoalitie pleit voor een Klimaatwet en de opzet van een reeks van projecten om verschillende sectoren CO2-neutraal te maken.

‘Juist door de aanwezigheid van het haven-industriële cluster kan de energietransitie hier een succes worden’

Schoenmakers: “Dit is een belangrijk politiek signaal van deze bedrijven. Zij zien de energietransitie niet alleen als een bedreiging maar ook als een opportunity om de vernieuwing van de economie aan te pakken.” Juist door de aanwezigheid van het ‘enorme haven-industriële cluster’ kan de energietransitie volgens hem in de haven van Rotterdam een succes worden.

“Dat heb je nergens anders op de hele wereld. Als het hier lukt kun je de energietransitie ook verzilveren,” aldus Schoenmakers.

Dankzij het enorme haven-industriële cluster kan de energietransitie een succes worden (foto: Neste Oil)

Deel deze pagina

Partners Maritiem Nederland