Achtergrond

Ernst van Zuijlen, directeur TKI Wind op Zee:


‘Nieuw offshore windbeleid is een grote stap vooruit’

Branche: Maritieme Cluster, Offshore | Auteur: Antoon Oosting | Publicatiedatum:

“Het Nederlandse systeem is nu het beste van de wereld.” Dat zegt Ernst van Zuijlen, directeur van het TKI (Topconsortium voor Kennis en Innovatie) Wind op Zee, over de ommezwaai die minister Henk Kamp van Economische Zaken vorig jaar heeft gemaakt in de aanpak van de ontwikkeling van windenergie op zee. Van Zuijlen is verantwoordelijk voor de verdeling van subsidies van overheid aan bedrijfsleven en kennisinstellingen voor onderzoeksprojecten op dit gebied.

Ernst van Zuijlen (57) studeerde medische fysica aan de Universiteit Utrecht. Gegrepen door het uit Denemarken overgewaaide idee in je eigen energievoorziening te kunnen voorzien, begon hij 25 jaar geleden samen met andere particulieren een windmolencorporatie. Hobby werd eind jaren tachtig professie toen hij ging werken als consultant van Ecofys waarmee hij in de jaren 2000 in de projectontwikkeling van offshore windparken (Amalia, Belwind, Sheringham Shoal, Godewind) terechtkwam. Sinds 2010 is hij coördinator R&D van FLOW (Far Large Offshore Wind) wat hij sinds 2012 combineert met het directeurschap van TKI Wind op Zee, gevestigd in Utrecht. Het TKI Wind op Zee draagt bij aan 40 procent kostenbesparing van windenergie op zee in 2020 ten opzicht van 2010.

Data verzamelen

Kern van de nieuwe aanpak van het Nederlandse beleid voor windenergie op zee is volgens Van Zuijlen dat de overheid optreedt als pre-projectontwikkelaar en alle data verzamelt (met inschakeling van o.a. partijen als Blix en Fugro) die bouwers en investeerders nodig hebben om in de tenderprocedure hun biedingen voor de aanleg van de windparken te kunnen doen. Omdat ze via alle beschikbare data (bijna) alles al weten van alle randvoorwaarden kunnen ze hun biedingen ontwikkelen met zo min mogelijk restrisico’s. “Op deze manier is er echt een hele grote stap vooruitgezet”, zegt Van Zuijlen.

‘In de kilowattuurprijs zit voor 25 à 30 procent aan kosten voor beheer en onderhoud, dat moet echt goedkoper kunnen’

Een ander ‘heel belangrijk element’ is volgens Van Zuijlen dat de komende vijf jaar, om te beginnen dus voor het einde van dit jaar, door de Nederlandse staat elk jaar voor 700 MW aan offshore wind wordt getenderd. “Dat creëert stabiliteit in de markt en investeringszekerheid. Grote offshore installatiebedrijven als Van Oord, VBMS (VolkerWessels Boskalis Marine Solutions), Jumbo, Seaway Heavy Lifting kunnen daarop investeren. De hele sector ziet hierin nu interessante marktniches. Voor Van Oord is offshore wind al de grootste omzetgenerator”, zegt Van Zuijlen.

Die groei in vertrouwen in de markt voor de ontwikkeling van windenergie op zee vertaalt zich volgens Van Zuijlen rechtstreeks in belangstelling voor de aanleg van de nieuwe windparken. Op de eerste informatieavond begin september vorig jaar waren volgens Van Zuijlen zo’n veertig en recent op de laatste avond zo’n tweehonderd belangstellenden uit niet alleen Nederland maar ook Noorwegen, Japan, Denemarken, België, Denemarken, Duitsland. Dat zijn zowel projectontwikkelaars en bouwers als consultants die investeerders adviseren bij het doen van biedingen.

Laagste stroomprijs

Van Zuijlen legt uit dat de bieders op de tenders voor Borssele I en II in hun plannen een stroomprijs moeten garanderen die onder de 12,4 cent per kilowattuur ligt. Wie kans ziet de laagste stroomprijs te bieden, wint de tender en mag het windpark aanleggen. Kamp wil voor elke nieuwe tender die maximale stroomprijs ongeveer 0,5 cent omlaag hebben om zo het verschil tussen conventioneel, uit kolen en gas, opgewekte elektriciteit en die uit windenergie te kunnen verkleinen. De overheid moet immers het verschil in kostprijs aanzuiveren.

Overigens is volgens Van Zuijlen de kostprijs van wind op zee al 20 procent omlaag gegaan ten opzichte van 2010. Het ‘vervelende’ is alleen dat de productiekosten van stroom uit fossiele bronnen ook van 6 à 7 cent naar 4 cent zijn gedaald. Dat komt doordat de VS zijn kolen nu voor dumpprijzen op de wereldmarkt afzet. Van Zuijlen wijst er echter op dat als op de productiekosten van kolenstroom ook een boete zou worden gelegd op de uitstoot van CO2 het verschil in productiekosten nu echt al veel lager is.

Totdat dit gebeurt, moet daarom alles op alles worden gezet om de kostprijs van wind op zee terug te dringen. De directeur van het TKI Wind op Zee heeft er alle vertrouwen in dat dit ook gaat lukken. Voor het nu in aanleg zijnde Gemini Windpark (toewijzing subsidie 2009) is nog uitgegaan van een kilowattuurprijs van rond de 17 cent. Maar volgens Van Zuijlen heeft het Zweedse Vattenfall voor de aanleg van een offshore windpark in Denemarken al een bod uitgebracht van 10,3 cent per kilowattuur.

“We zijn nog volop aan het ontwikkelen. Er staat nu 10 gigawatt aan windenergie op zee. Over vijf jaar zal dat 30 gigawatt zijn. Wat windenergie op zee betreft staan we nog pas echt aan het begin van de S-curve van de technologische ontwikkeling”, verzekert Van Zuijlen. Als voorbeeld noemt hij het benodigde onderhoud aan de windmolenturbines op zee. “Dat kan echt nog veel beter. In de kilowattuurprijs zit voor 25 à 30 procent aan kosten voor beheer en onderhoud. Dat moet echt goedkoper kunnen.”

Wetenschappelijke uitdaging

De belangrijkste technologische ontwikkeling echter zal de opschaling zijn van de turbines zelf. Van de eerste generatie van 2/3 MW tot vijf jaar geleden, tot 5/6 MW in de windparken die momenteel worden aangelegd, zal de komende generatie 8/9 MW kunnen produceren, is de verwachting van Van Zuijlen. “Heel belangrijk is de rotor. Die moet zo groot mogelijk zijn. Dan krijg je de meest efficiënte benuttingsruimte in de elektriciteitsinfrastructuur. Dat klinkt simpel maar het is een bijna wetenschappelijke uitdaging. De rotorbladen moeten steeds sterker en dunner worden.”

'Het vervelende is dat de kosten van stroom uit fossiele brandstoffen ook zijn gedaald'

Een andere uitdaging is volgens Van Zuijlen het verbeteren van de regeltechniek. Om de vermoeiing tegen te gaan is het zaak de rotorbladen zo constant mogelijk te belasten. Daarvoor moeten ze met de variaties in de wind mee kunnen draaien. Om windvelden te kunnen meten, wordt gewerkt met een soort radar die werkt met licht. Dat soort radars wordt nu experimenteel gebruikt op meetposten en boeien die in de Noordzee zijn geplaatst om windsnelheden maar ook golfhoogtes en het weer te meten. Maar in de toekomst moeten die radars ook op alle windturbines komen te staan om ze optimaal op de wind te kunnen regelen.
Om de plaatsing van grotere windmolens mogelijk te maken moeten ook de funderingen oftewel monopiles groter worden. “Tot nog toe werd ervan uitgegaan dat die in diameter niet veel groter konden zijn dan drie, vier meter. Maar inmiddels zijn ze er ook van acht, negen meter in diameter. Ondertussen is ook de heitechniek van voorheen alleen mechanisch nu uitgebreid met een techniek die werkt met water, speciaal voor het heien van palen met een grote diameter. Een vinding van Fistuca, een TU-Eindhoven start-up waar onder andere Joop Roodenburg van Huisman uit Schiedam in heeft geïnvesteerd”, vertelt Van Zuijlen.

Lees ook onze uitgebreide reportage over de aanleg van het Gemini Offshore Windpark, en hoe dit park bijdraagt aan het energieakkoord.


Andere belangrijke elementen zijn betere samenwerking tussen leveranciers en installateurs wat ook weer leidt tot lagere kosten. En als vierde noemt Van Zuijlen de financiering. Voorheen rekenden banken allerlei risico-opslagen. Van Zuijlen: “Er is nu heel veel geld beschikbaar en omdat bankiers de markt beter kennen en vertrouwen kunnen ook de rentes en opslagen voor de bankleningen fors omlaag.”

Deel deze pagina
Vijf hoofdlijnen

De bijdrage van het TKI Wind op Zee bestaat vooral uit het stimuleren van technologische innovaties. De verdeling van geld voor onderzoek en onderzoeksprojecten gaat aan de hand van vijf hoofdlijnen. De eerste is support structures, oftewel de funderingen. “Daarbij gaan we dit jaar ook kijken naar turbines op drijvende onderstellen. De tweede lijn omvat de windturbines en de vraag hoe je de windturbines zo optimaal mogelijk in een veld plaatst. De derde hoofdlijn betreft de elektrische netwerken, hoe kun je op de aanleg van nieuwe netwerken besparen. Het vierde veld omvat transport en logistiek bij de installatie en als vijfde lijn kijken we naar het goedkoper maken van onderhoud en beheer”, aldus Ernst van Zuijlen.

Partners Maritiem Nederland